Schoolgids Brochure
 

   

             

Klik hier voor het schoolreglement

Klik hier voor het convenant Schoolveiligheid tussen school, politie en gemeente 

Fraudeprotocol Fioretticollege Lisse

 Een beroemde zenmeester organiseerde regelmatig meditatieweken, waarop leerlingen vanuit de hele wereld af kwamen. Tijdens een van deze bijeenkomsten werd een leerling betrapt toen hij iets probeerde te stelen. De zaak werd aan de zenmeester voorgelegd met het verzoek de leerling weg te sturen. De zenmeester negeerde het verzoek. Kort daarop werd dezelfde leerling nogmaals betrapt, en opnieuw negeerde de meester het geval. Dit gebrek aan aandacht maakte de andere leerlingen zo boos dat ze een petitie opstelden met het verzoek de dief weg te sturen. Als de zenmeester dat niet zou doen, zo was het dreigement, zouden ze allemaal uit de tempel vertrekken.

 

Toen de zenmeester de petitie had gelezen, riep hij iedereen bijeen. ‘Jullie hebben gelijk, leerlingen’, zei hij tegen hen. ‘Jullie weten wat goed is en wat niet. Jullie kunnen ergens anders naartoe gaan om te studeren als jullie willen, maar onze arme broeder kent niet eens het onderscheid tussen goed en kwaad. Wie zal hem dat leren als wij dat niet doen? Hoe kunnen we zijn verkeerde gedrag veranderen? Ik hou hem hier, zelfs als jullie allemaal vertrekken.’

 

 

Protocol Fraude docentversie

Protocol Fraude leerlingversie

 

  1. Aanleiding

  2. Wat is fraude?

  3. Hoe om te gaan met fraude?

  4. Fraude bij niet-examenonderdelen

  5. Fraude bij examenonderdelen

  6. Het centrale dilemma

  7. Conclusies & aanbevelingen

 

  1. Aanleiding

Dit fraudeprotocol is opgesteld op basis van een advies van een voor dit doel ingestelde werkgroep. Op 18 juni 2008 heeft de MR ingestemd met dit protocol. Aanleiding voor de instelling van deze werkgroep Fraude * was een conflict over de cijferbepaling van een examenonderdeel bij Nederlands. In concreto: de docent had geconstateerd dat de leerling plagieerde en kende daarom het cijfer 1 toe. De schoolleiding heeft na het horen van leerling en docent besloten dat de leerling het werk moest overmaken en dat maximaal een 5.5 kon worden behaald voor het betreffende onderdeel. De sectie heeft daarover een brief geschreven naar de MR. De directie heeft in een reactie aan de MR laten weten dat de brief aanleiding geeft om het fraudebeleid te expliciteren. Aan de werkgroep is gevraagd om bouwstenen voor een dergelijk beleid te leveren. Deze bouwstenen bestaan uit de conclusies & aanbevelingen uit deze notitie van de werkgroep. (terug) 

* De werkgroep bestond uit: Johan Copier, Wim Dieben, Paul den Hollander, Judith van Kampen en Jeanine Levenbach.


 

  2. Wat is fraude?

Om te beginnen is de centrale vraag wat fraude precies is. De kern is bedrog. In de context van de school draait het om het feit dat de leerling de school bedriegt door de prestatie van iemand anders geheel of gedeeltelijk te presenteren als zijn eigen prestatie. Het is de taak van de school om de ontwikkeling van de leerling te stimuleren en te beoordelen; bovendien is het de taak van de school om wezenlijke waarden te respecteren en op te treden wanneer deze waarden geschonden worden. Daarom is het zaak om fraude effectief tegen te gaan. (terug) 


  3. Hoe om te gaan met fraude?

Een belangrijk bestanddeel van het fraudebeleid dient gericht te zijn op het voorkomen van fraude. Wij zullen daarom helder moeten aangeven aan de leerlingen dat fraude niet toegestaan is en daarom streng bestraft wordt. Met name bij het maken van werkstukken dient helder aangegeven te worden dat het gebruik van bronnen uiteraard toegestaan is onder de conditie dat deze bronnen op correcte wijze genoemd worden. Daarnaast dienen wij processen zo in te richten dat we het plegen van fraude zo moeilijk mogelijk maken: niet teveel werkstukken in een te korte periode en het inslijpen van een stapsgewijze manier van werken, waardoor bijsturing door de docent, indien nodig, tijdig kan plaatsvinden. Sancties dienen effectief te zijn en uiteraard uitvoerbaar. (terug) 

 

   4. Fraude bij niet-examenonderdelen

Bedrog bij niet-examenonderdelen - in de meeste gevallen komt dit neer op ‘afkijken’ en/of het gebruiken van niet toegestaan materiaal - wordt in de praktijk bestraft door de docent. Hierover ligt niets vast.  In de praktijk wordt vaak eerst een waarschuwing gegeven en daarna wordt als straf het cijfer 1 toegekend.

 

Het toekennen van het cijfer 1 bij fraude komt regelmatig voor. Het grote voordeel is de helderheid, het probleem daarmee is dat we eigenlijk het cijfer willen gebruiken om aan te geven wat de leerling kan, en dus niet om een straf tot uitdrukking te brengen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wij geen bruikbaar alternatief hebben. (terug)

 

 

   5. Fraude bij examenonderdelen

Voor fraude bij examenonderdelen hebben wij de beschikking over het huidige examenreglement. De kern van het reglement is dat bij een vermoeden of constateren van een onregelmatigheid de casus wordt voorgelegd aan de sectordirecteur die na hoor en wederhoor een voor beroep vatbare beslissing neemt.

 

Van belang om op te merken is dat de aanleiding voor het werk van deze werkgroep in feite ter beoordeling is aan de sectordirecteur en niet aan de betrokken docent. (terug) 

 

   6. Het centrale dilemma

Het fraudebeleid dient adequaat antwoord te geven op de centrale aandachtspunten: de leerling dient op school de ruimte te hebben om fouten te maken en de ruimte om fouten te herstellen, het schoolcijfer dient een indicatie te geven van de kennis/vaardigheden van de leerling en de leerling die de boel willens en wetens bedriegt dient bestraft te worden. Wij doen de aanbeveling om in voorkomende gevallen een ‘1’ toe te kennen met daarbij de aantekening dat we als school belangrijke beslissingen (determinatie, onvoldoende/voldoende op het rapport) baseren op de werkelijke prestaties van de leerling. Uiteraard dient de leerling alsnog getoetst te worden om te achterhalen wat het niveau is van zijn kennis en vaardigheden. (terug) 

 


  7. Conclusies & aanbevelingen

 

1. De leerling wordt beoordeeld op zijn prestaties. Bij fraude kan de beoordeling van de prestaties van de leerling niet zuiver plaatsvinden omdat niet duidelijk is wat de eigen bijdrage is van de betrokken leerling.  Het Fioretticollege voert daarom een beleid ter voorkoming van fraude.

 

2. De grootste kans op fraude vindt plaats bij het maken van werkstukken. Daarom is het van belang dat Fioretti een actief anti-fraude beleid voert. Dat houdt in:

a. maatvoering: zorg dat leerlingen de tijd hebben om een degelijk werkstuk te maken;

b. procesvoering: maak de voortgang inzichtelijk zodat je zicht hebt op de voortgang en inbreng van de leerling;

c. bronvermelding: maak duidelijk dat bij werkstukken bronvermelding (op de voorgeschreven wijze) altijd noodzakelijk is;

d. tijdsplanning: wanneer aan de eerste conditie voldaan is (de leerling heeft een redelijke tijd om het te maken) geldt dat de afgesproken deadline ook gehanteerd wordt. De docent dient vooraf aan te geven wat de consequenties zijn van het niet of te laat inleveren (bv. hoe later een werkstuk ingeleverd wordt, hoe lager de waarde van de beoordeling, het op school laten maken van het werk).

e. fraudescan: ook is het mogelijk bij twijfel een digitale scan uit te voeren om na te gaan of de leerling geplagieerd heeft.

3. Het Fioretticollege voert een streng en consequent beleid tegen fraude volgens vooraf opgestelde regels.

 

4. Er komt een protocol waarin voor leerlingen uitgelegd wordt dat Fioretti de eigen prestatie beoordeelt en streng optreedt bij geconstateerde fraude.

 

5. Er komt een protocol voor docenten waarin aangegeven wordt dat Fioretti een fraudepreventiebeleid voert en streng optreedt bij geconstateerde fraude. Het is van belang dat alle docenten op de hoogte zijn van de basisregels van het anti-fraudebeleid en deze basisregels consequent toepassen.

 

6. In het protocol voor leerlingen wordt aangegeven dat in geval van fraude redenen (‘tijdnood’, ‘persoonlijke omstandigheden’, ‘ik hou niet van boeken’ et cetera) niet relevant zijn.  Mochten er tijdens het proces vertragende omstandigheden zijn, dan bespreekt de leerling dit direct met de begeleidende docent. Anticiperen is verplicht, wanneer de leerling tijdens het proces problemen krijgt, dient hij op dat moment aan de bel te trekken en niet achteraf.

 

7. De leerling wordt in het protocol gewezen op zijn verantwoordelijkheid, met name waar het werkstukken  (scripties, bloemlezingen etc) betreft. In het protocol wordt een aantal spelregels vastgelegd. Bij twijfel of een bepaalde handelwijze binnen de regels valt, moet de leerling dit tijdens het proces met de docent bespreken.

 

8. In het protocol voor leerlingen wordt aangegeven dat het plegen van fraude betekent dat de leerling risico neemt. Leerlingen kunnen zich niet beroepen op de kans dat eventuele andere fraudeurs niet (tijdig) gesnapt worden. De leerling is verantwoordelijk voor zijn keuze om fraude te plegen.

 

9. Bij fraude wordt onderscheid gemaakt tussen fraude in de reguliere lessen (spieken e.d.) en fraude bij examenonderdelen.

 

10. Fraude tijdens de reguliere lessen wordt in beginsel afgedaan door de docent. Uitgangspunt is eenmaal waarschuwen en daarna de straf (het cijfer ‘1’). Er vindt geen herkansing plaats en dus ook geen middeling.

 

11. Fraude bij (delen van) werkstukken wordt in beginsel afgedaan door de docent. De straf bestaat uit het toekennen van het cijfer ‘1’. Er vindt geen herkansing plaats en dus ook geen middeling.

 

12. Bij conflicten rond fraude tijdens de reguliere lessen is er arbitrage door de sectordirecteur. Deze arbitrage is bindend.

 

13. Bij fraude bij examenonderdelen wordt gebruik gemaakt van het huidige examenreglement: bij een geconstateerde onregelmatigheid wordt door de sectordirecteur onderzoek gedaan en vervolgens wordt mondeling en schriftelijk uitspraak gedaan. De leerling kan in beroep bij de Commissie van Beroep. De uitspraak van deze commissie is bindend. Bij geconstateerde fraude worden de ouders/verzorgers geïnformeerd. Bij fraude bij examenonderdelen is de docent die een onregelmatigheid vermoedt/constateert, niet gerechtigd om een bindende uitspraak te doen.

 

14. Fraude wordt streng bestraft; er wordt wel rekening gehouden met de pedagogische context van de school: wezenlijke beslissingen (determinatie, het toekennen van een rapportcijfer e.d.) worden gebaseerd op de echte prestaties van de leerling en niet op de straffen voor fraude. (terug)